dinsdag 1 juni 2010

Hij duizelde en viel bijna, herstelde zijn evenwicht en ging tenslotte op de hoek van zijn bed zitten. Een brede glimlach sierde zijn gelaat toen hij aan zijn vrouw begon te denken. 'Wat een prachtig wezen is dat toch,' mijmerde hij. 'Ravenzwarte haren, spieren als staalkabels en een ruggegraat om U tegen te zeggen, als het edele gewelf van een kathedraal of Russische rouwkapel. Rouwkapel, wat een woord! Stel ons even dit voor: Rauwkapel. Waar zwaar geklede bekleders van hoge functies met gerookte hammen in de weer zijn, er lof over uitspreken, dat fijne vlees bewierroken!'

Kareltje berst schier open van ambitie. Drinkt koffie heel de dag lang, en dribbelt, met zijn korte beentjes, naarstig heen en weer in zijn kantoor. Aan zijn laag bureautje schrijft hij, met zijn tong in een punt naar buiten, briefjes naar ondergeschikten. Beste Rudi, je laat veel steken vallen de laatste tijd. Herpak je, of ik zal sancties moeten nemen. Groetjes, Karel.
En 's avonds, in de bedstee met zijn vrouw, die lang is, en genoodzaakt op hem neer te kijken, vertelt hij dan: Rudi was weer niet goed bezig. Ik heb hem een reprimande moeten schrijven.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen