vrijdag 3 december 2010

straks komen de wolven

Straks komen de wolven

Dwars door een snijdende wind rijdt over een dijk langs een stroom een man op een fiets. Met half dichtgeknepen ogen en een verbeten trek rond de mond trekt en sleurt hij aan zijn stuur, stampt hij op zijn pedalen. Zweet parelt op zijn voorhoofd, zijn onderhemd is klam.
Anderhalve kilometer verderop, in een oude boerderij die heel alleen tussen de velden ligt, slaat een bejaarde vrouw de fietser gade. Hoofdschuddend nipt ze van haar glas cognac.
Ondertussen valt er regen uit de donkergrijze wolkenmassa die het zwerk tot een drukkende massa gejaagdheid maakt.
Nietsontziende stortbuien kunnen twee reacties veroorzaken: gelatenheid of persistentie. In dit geval het laatste. Nog harder dwingt de man zijn stalen ros vooruit, de beenspieren tot het uiterste gebracht. Hij voelt zich nu koud en warm tegelijk, regen en zweet; de natuur tegen zijn vege lijf.
Vier kilometer verderop wacht een vrouw op haar man. Ze staart beteuterd door het raam en streelt het hoofd van een kind van vier. In de nieuw aangelegde tuin vormen zich grote plassen. Zielig het ontluikende gras dat nu door al dat water wordt versmacht. De vrouw heeft dweilen op de grond klaar gelegd, en dikke handdoeken op de verwarming. Op het fornuis staat een pannetje met zoete chocolademelk. ‘Papa komt bijna terug,’ fluistert ze het kind op haar schoot toe.
Een kwartier later strompelt vader inderdaad klappertandend de keuken binnen. Het kind, gewend vader in strakke maatpakken te zien, herkent hem bijna niet en kijkt verschrikt terwijl het moeder tegen zich aantrekt. Hoestend stroopt hij zijn natte kleren af en zichtbaar opgelucht laat hij de warme handdoeken over zijn trillende lijf draperen door zijn vrouw, die zich moedig houdt, maar zich zorgen maakt over zijn welzijn. ‘Eerst was er die stevige kopwind, en ik ben daar niet voor. Maar bon, dat gaat nog. Na een tijdje ben je dat gewoon. Maar dan begonnen die wolken, die door die wind al zo snel voorbijdreven, donkerder en donkerder te worden. Onheilspellend, zou ik zeggen.’ ‘Papa, wat is dat, onhelspellend?’ ‘Dat ze je bang maken, zoals wanneer er een grote reus met scherpe hoektanden brullend op je af zou komen! En dan kwam de regen, bijna meteen die stortbui. Vreselijk in het begin, maar al snel voelde ik een verbetenheid, om bij jullie te zijn, lieverds.’ En hij geeft zijn vrouw een zoen en zijn zoon een zoen.
‘En euhm,’ begint zijn vrouw, ‘heb je voor mij een nieuwe tandenborstel mee?’ ‘OH NEE!’ slaakt vader uit. Hij springt recht, loopt vierklauwens naar boven, staat binnen enkele tellen weer beneden in droge kleren, geeft vrouw en kind weer een zoen en raast weg op zijn fiets, komt al snel aan de dijk aan de stroom en daar houdt het onweer weer op, alsof een god met een vingerknip zonneschijn heeft bevolen.
Anderhalve kilometer verderop, in een oude boerderij, die heel alleen tussen de velden ligt, slaat de bejaarde vrouw de man weer gade. Knikkend nipt ze van haar vierde glas cognac, terwijl op de achtergrond Jacques Brel zijn keeltje opentrekt.
Een uur later is de man weer thuis bij vrouw en kind, en joelend en lachend dansen ze in de tuin in de modder, hoera!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen