dinsdag 28 februari 2012

Het streven van Leonard

Zwelt van trots bij 't zwemmen. Handen als kolenschoppen, de spieren van zijn bovenlichaam liggen dik. Huid gerimpeld nadien. Droogt zich uitsluitend met het soort handdoeken dat men ook in hotelkamers aantreft.
'Een koffie graag mevrouw.' Hij kijkt haar strak aan, zijn ogen een weinig vochtig van de chloor. Een druppel rolt uit zijn dikke linkerwenkbrauw over zijn slaap naar zijn wang. Hij negeert de prikkeling en wacht tot de jonge dienster slikkend wegschuifelt. Wat ben ik toch een onbehaaglijk heertje.

Omdat hij in een dik boek aan het lezen is slaat hij geen acht op de temperatuur van de kop koffie. Een te grote slok brandt zijn tong, verhemelte en een stuk van zijn slokdarm. Het zweet breekt hem uit, maar hij blijft kalm. Hij leest verder tot het einde van zijn pagina, prent het nummer 45 in zijn hoofd (de som is negen maar het is 72 niet), legt een briefje van 500 euro op de kleverige tafel, staat op, wandelt rustig weg, stapt in zijn wagen, rijdt naar het dichtstbijzijnde tankstation, koopt daar twee blikken Red Bull, slaat die aandachtig achterover, slaat zich voor het hoofd omdat hij op één uur tijd veel te veel cafeïne heeft binnengewerkt, start met trillende hand de motor, zet koers naar een binnenspeeltuin met naam en faam in een andere provincie, gaat daar drie uur later aan een tafeltje zitten in de cafetaria waar uitgebluste ouders met vermoeide blikken en gezwollen enkels (de vrouwen) en gezwollen pensen (de mannen) zuchtend naar hun joelende kroost kijken en bestelt opnieuw een kop koffie. Dat had ik beter niet gedaan, beseft hij, maar het is al te laat. Enkele ogenblikken later staat er weer een plas zwart water in een wit recipiënt voor zijn neus. Deze keer neemt hij de benen zonder te betalen, alsof het biljet dat hij eerder in het zwembad-annex achterliet ook voor deze transactie geldt.

Ik ben duidelijk in de war, denkt deze man, wiens uiterlijk we hier in het midden zullen laten. Hij rijdt rustig naar huis, een rit van vier uur, en onderweg luistert hij naar een man die heel sonoor in het Arabisch voorleest uit de koran/Koran/Qur'an. Hij vindt dat rustgevend, hoewel hij er geen jota van begrijpt. Thuis rent hij spoorslags naar de stallen, waar zijn paarden zijn. Deze dieren, die benen hebben en hoofden, worden onrustig van zijn komst. Of dat nu angst is of een prettig vooruitzien naar zorgeloos welbehagen: ook dat laten we in het midden.

U moet weten, deze man is machtig. Zijn huiskamer is begrensd door reusachtige glazen muren, die we vensters zouden noemen, of ramen. Aan de andere kant kan men wel ja, een muur van steen aantreffen. Niet zomaar een muur van steen, een hele dikke muur van steen. Voldoende om de warmte des winters niet naar buiten te laten vlieden, want aan dat soort archaïsche ideeën heeft onze man lak. Hij is, zo kunnen we wel stellen, zijn tijd ver vooruit. Al zeven jaar gebruikt hij geen producten meer van de zogeheten nutsbedrijven. Zijn water, ja zelfs zijn drinkwater, valt gratis uit de hemel. Dat krijgt hij zonder problemen drinkklaar gefilterd. Aan bezoekers zegt hij vaak: Mijn drinkwater, dat krijg ik zo drinkklaar gefilterd. Eens proeven? En dan moet hij even vaak lachen om de ongemakkelijke reacties van het schuifelende schoelje dat niet zeker is van zijn stuk, omdat ze liever hun winkelkarretje volladen met flessen licht bruisend kanaalwater waarvoor ze ongeveer duizend keer meer per liter neertellen.

Afijn, ik wijk af. Tegen die dikke muur hangen foto's van zijn paarden, door een zwaar doorrekenende fotograaf genomen. Daar had u moeten bij zijn, beste lezer. Wat een spektakel was dat! Metersbrede witte doeken, ettelijke reflecterende schermen, flitslampen die overdag BUITEN werden gebruikt! Amazones met suikerklontjes! U kan het zich zo gek niet bedenken of die man sleepte het uit zijn vrachtwagen. Het resultaat is natuurlijk om handen en voeten van af te likken. Het lijkt alsof niet alleen jij die beesten kan doorgronden, zo met hun oogopslag en houding en die blik jongens die blik, maar alsof het omgekeerde ook waar is, alsof die beesten jou doorhebben. Zeer vreemd, en de reden ook wellicht dat het fotograafje, dat niet groter is dan Danny DeVito ik zweer het u, de hele wereld rondreist om zijn kunstje over te doen in de stoeterijen van sjeiks, beroemdheden en soms gewoon ook de doorsnee miljonair met een passie voor paarden.

Dus waar waren we? Ja, man komt stallen binnen, zijn zeven paarden (dat zijn er vier te veel, maar wanneer de doorsnee productiearbeider naar zijn effectenrekening zou kijken zou die ook zeggen: zoveel miljoenen, dat zijn er ook een paar te veel, en dan natuurlijk verzuurd commentaar geven op een vaagweg aan kapitalisme gerelateerd artikel op de website van een populaire krant of weekblad, maar ik wijk af). Man gaat bij zijn lievelingspaard, dat hij streelt en stro geeft en opzadelt met allerlei goede gevoelens en laten we wel wezen, ook een zadel.

Weer zijn we twee uur later en de avond is bijna gevallen. De man zit op zijn paard, de teugels losjes in de handen. Ze staan op het hoogste punt binnen een straal van vijfentwintig kilometer rond zijn huis, in een zeer schaars bevolkt gebied (een boerderijtje hier en daar, in de zomer wat wielertoeristen, niet meer) en potverdikke het is jammer dat het Kabouterfotograafje er niet bij is met zijn witte lenzen en driepikkels waarmee je een technisch aangelegde autist uren zoet kan houden, want jawadde, is me dat een beeld: een sierlijk paard, de ruiter die sereniteit en tegelijkertijd kracht uitstraalt (het moet iets zijn met die brede schouders, kolenschoppen van handen en dat eerder rank te noemen onderlichaam of zo) en verder niets dan door de ondergaande zon fraai uitgelichte glooiingen van het landschap. U ziet hem zo al zijn korte beentjes voorbij rennen: Ja hoor, dit is werkelijk machtig prachtig! Enig zelfs! Wat een zicht! Blijf vooral staan zo, niet bewegen hoor, kijk eens aan die kim, het zwerk, de wolken, de zon, het paard, de ruiter, de metafysische implicaties van deze schoonheid doen mij haast wankelen! En de hele tijd, naast het idyllische en in de lente altijd omnipresente kwetteren van onzichtbare zangvogels, dat repetitieve heen en weer klappen van de spiegel in zijn fotoapparaat.

Zou dat niet mooi zijn? En dan nog een uur later met het hele gezelschap des avonds onder de terrasverwarming aan het subtiel verlichte zwembad nakaarten tijdens de lichte maaltijd gemaakt door een onzichtbare kok met ingrediënten die men langs de Middellandse zee kan vinden met de obligate Italiaanse fles wijn in de kristallen glazen. Ja dat zou mooi zijn. 


Maar het is niet zo, want het is niet waar. Het staat hier maar op uw scherm en het bestaat niet. Dit is het leven niet. Ga naar buiten, want daar is het leven wel. De lente komt er echt aan. U merkt dat wel, de dagen worden langer, u hoort de vogels. Hoort u de vogels niet? U moet daar dan toch eens op beginnen letten, want ze zijn er wel degelijk hoor. Vogels? Dat zijn gevederde zoogdieren. Of neen, dat kan niet, ze leggen eieren. Vliegende zoogdieren bestaan nochtans wel hoor, maar dat zijn vleermuizen, en die zingen niet. 


Het wordt ook warmer, en binnenkort zullen de eerste vegetariërs opduiken in de parken van de stad, voorafgegaan door mensen die naar alternatieve scholen zijn geweest, zoals de Steinerschool of de Freinetschool, en die misschien wel een typisch soort hond bij zich hebben, en kegels om mee te jongleren, en draadlokken in hun haren. De djembe's lijken ze de laatste paar jaar gelukkig thuis te laten, al kan er altijd een heropflakkering komen van deze aandoening. 


Daarna volgt het plebs, dat geen plebs is maar eerder hogere middenklasse, en op Achielles komt aanbollen en op esthetisch verantwoorde dekentjes picknickt om daar dan nostalgische foto's van te nemen met dure telefoons. 


En ondanks de crisis zal het, wanneer de zon schijnt en de kindjes spelen, toch allemaal goed zijn. Want zo is het leven in ons land: goed.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen