woensdag 29 augustus 2012

Bavo en Lieveken (Hendrik Conscience, 1865) [3]

"Ik heb geene goesting, Jan." "Wat is dit nu?" kreet zijn gezel verwonderd. Zult gij vijfentwintig cents weigeren om het jubilé van eenen ouden vriend te vieren?" "Het is niet voor de vijfentwintig cents, Jan. Ik ken den rossen Leo bijna niet, en, ik zeg het rechtuit, dit drinken halve nachten lang bevalt mij niet meer; ik kan er niet tegen, het maakt mij ziek." Deze woorden, op eenen zekeren vreesachtigen toon gesproken, deden Jan in eenen spotlach uitbarsten: hij greep de twee handen zijns vriends en zeide hem: "Damhout, Damhout, jongen lief, ik heb medelijden met u. Gij waart vroeger altijd het haantje vooruit, en het was u nooit te laat om naar huis te gaan; maar sedert gij getrouwd zijt, ik heb het gezien van het eerste jaar af,—sedert gij getrouwd zijt, geraakt gij allengskens meer en meer achter den bezem; gij durft u niet meer verroeren, gij wordt een suffer, een gierigaard, een kwezelaar. Foei, gij vergeet, dat gij een man zijt, en gij ligt als een kind onder den duim uwer vrouw. Gij zoudt wel mededoen, ik weet het: gij hebt nog een tandje, dat er naar lotert; maar gij moet eerst permissie van moeder Damhout hebben, en God weet, of gij die permissie nog durft vragen!"

[...]

Adriaan Damhout stak de hand in den zak, haalde er een stuk van vijfentwintig cents uit en gaf het aan zijnen gezel. "Alzoo, dezen avond, te negen uren stipt, in de Blauwe Geit, bij Pier de Knul?" juichte Wildenslag. "Het zal er gaan, het zal er een leventje zijn, dat gij er in uwen ouden dag nog zult van spreken!" "Ik zal pogen te komen; maar ik ben er niet zeker van," mompelde nog de andere. "Ja? gij zult toch niet dom genoeg zijn om uw geld door anderen te laten opdrinken? Dan zou ik zeker zeggen, dat gij met uwe vrouw van kleederen hebt verwisseld. Onmogeljk, Adriaan, zoover zijt gij nog niet."

[...]

"Tot dezen avond dan. Komt gij niet, dan maak ik een kruis op uwen rug. Pas op, pas op, vriend: ieder moet op de wereld zijn deel van het leven hebben. Offert gij u op voor vrouw en kinderen, zij zullen zonder medelijden u afhalen en uitzuigen, totdat uwe gezondheid geheel zij gekrenkt. Hang de vlag in den wind, achter ons vergaat de wereld! Hoera, vivat de leute!" En lachende en eenen dwazen flikker makende, sprong hij de straat in, gevolgd door zijnen draadjesmaker, welken hij onder de eerste de beste gaslantaarn van zijn loon zou betalen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen