vrijdag 31 augustus 2012

Bavo en Lieveken (Hendrik Conscience, 1865) [5]

Veel verder in de rij der gelijkvormige werkmanswoningen was er een huisje, dat zich onderscheidde door zijne netheid. Tot op de straat was er wit zand voor de deur gestrooid. Drie of vier bloempotten geurden op de vensters, achter sneeuwblanke gordijntjes. Op de schouwplaat prijkte een Lieve-Vrouwebeeld, tusschen twee pleisteren papegaaien, wier rood, geel en groen vederkleed de oogen aangenaam verraste. Het kleinste keukengerief, de schotels en koffietasschen stonden op eene kas te pronken, en glinsterden en schitterden, als waren zij hoogmoedig over hunne netheid. De grove biezenstoelen waren zonder vlekken, de withouten tafel gewasschen, de kachel met potlood geglimd. Even arm als de andere was deze werkmanswoning; de meest schitterende voorwerpen hadden slechts eenige centen gekost ... en nochtans er heerschte zulke bekoorlijke toon van vrede, van levenslust en van gemak; de lucht was er zoo zuiver en zoo aanlachend, dat men bij het gezicht van dit nederig huisje gereedelijk moest begrijpen, hoe een werkman ook zijne woning kan liefhebben evenals een rijkaard, die zich op zijn paleis verhoovaardigt.

[...]

Sedert eene wijl scheen de jongen in verlegenheid; zijn stokje verroerde niet meer, hij schudde het hoofd met ongeduld. "Wat is het, Bavo?" vroeg de vrouw. "Gaat het niet goed, kind?" "Ach, moeder," zeide hij, "de meester heeft mij eene les te leeren gegeven, en daar is een woord in, zoo moeilijk, zoo moeilijk! Ik zweet er van; maar ik kan er toch niet uit. Lees gij het eens, moeder lief!"

[...]

"Te moeilijk?" morde de kleine. "Ik moet het lezen, ik wil.... Ach, moeder, stil, stil; gij hebt mij geholpen, het zal gaan.... Zelfverloo.... Zelfverlooch.... Zelfverloochening! Zie, zie, moeder lief, het woord is zelfverloochening!" Een kreet van bewondering ontsnapte de vrouw; zij greep haar zoontje in de armen en legde eenen langen kus op zijn voorhoofd. Wat haar dus ontroerde, was de vroegtijdige gemoedskracht en de schier mannelijke wil, dien zij in haren zoon meende te ontdekken. Wat droomde zij bij den liefderijken kus? Zij wist het niet, en evenwel dankte zij God uit den grond des harten. Het kind, door de teedere goedkeuring aangemoedigd, had weder zijn boek gegrepen; maar de vrouw, nog ontroerd, zeide hem: "Bavo lief, gij moet maar goed leeren, kind; later in het leven zult gij eerst begrijpen, hoe schoon en hoe nuttig het is, te kunnen lezen en schrijven. Iemand, die niet lezen kan, is maar een half mensch, en hij is veroordeeld, al ware hij zelfs met verstand geboren, om altijd onwetend te blijven. Gij zult meer en beter leeren dan ik, Bavo, en daarom zult gij gelukkiger zijn in de wereld. Ach, dat mijn Peter zoo vroeg is gestorven! Anders zou ik goed kunnen lezen en schrijven; maar er was niemand meer om mij te beschermen; ik moest naar de fabriek. Nog wel een beetje heb ik mij zelve geleerd; maar wanneer men moede gewerkt is, gaat dit niet goed. Ja, Bavo, indien iedereen kon lezen, zouden er zoovele slechte lieden niet zijn; want wie lezen kan, gevoelt, dat hij mensch is, en hij eerbiedigt zich zelven.

[...]

Bavo, vergeet nooit, dat gij dit geluk zult verschuldigd zijn aan uwen vader, die van den morgen tot den avond slaaft en zweet om zijne kinderen in eere op te brengen, en die zelfs uit de herberg blijft en, om zoo te zeggen, het brood uit zijnen mond spaart, om u naar de school te laten gaan. Niet waar, Bavo, gij zult het nooit vergeten? Wat er ook in uw leven gebeure, gij zult uwen goeden vader altijd eerbiedigen en beminnen?" "Altijd, altijd, en u ook, moeder lief!" zei het jongsken, haar de wangen streelende.

[...]

Zij zette zich neder, zag haar slapend zoontje eene wijl met zaligen blik aan, droomde van onbestemde dingen en legde eindelijk eenen langen, vurigen kus op het gladde voorhoofd, als geloofde de goede, dat een moederzoen de kiemen des verstands in de hersens van haar kind kan verwarmen en bevruchten. Nauwelijks had zij weder haar naaiwerk hernomen, of haar man trad in de kamer.

[...]

"Daarom is het niet: ik ben droef in mijn hart." "Hoe zoo? Is u iets geschied?" "Wildenslag heeft mij vervaard gemaakt! hij maakt mij altijd vervaard.... En misschien heeft hij gelijk; misschien doen wij niet wel met onzen Bavo boven zijne ouders te willen verheffen." "Alweder dit kwaad gepeins!" "Kwaad gepeins, Christina? Wie kan het weten? Laat onze Bavo nu jaren lang naar de gemeenteschool gaan en geleerd worden. Hij zal ons veel meer geld kosten dan een ander kind, en daarenboven nooit eenen cent in het huishouden brengen; en als hij groot is en geld wint, zal hij het in schoone kleederen steken en zich schamen over den armen fabriekwerker, die zijn zweet heeft gegeven, om eenen mijnheer van hem te maken."

[...]

"Dit zal met onzen Bavo niet gebeuren, Damhout," antwoordde de vrouw, haar verdriet bedwingende. "Zijn hart is zuiver, ik zal hem bewaken. Gij vreest, dat ons kind later in de wereld een beter lot hebbe dan wij? Maar geschiedde het aldus, zou uw vaderhart niet van vreugde kloppen? Zoudt gij niet met hoogmoed zeggen, hij is mijn zoon, voor hem heb ik met liefde geslaafd; zijn geluk is mijn werk?"

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen