donderdag 11 oktober 2012

De Kleine Johannes [4]

Hebt gij wel eens op een fraaien herfstdag door het bosch gedwaald? Als de zon zoo stil en helder op het rijkgetinte loover schijnt, als de takken kraken en de dorre bladeren ruischen onder uw voet? Dan schijnt het woud zoo moede, het kan nog slechts deinzen en leeft in oude herinneringen. Een blauwe nevel omringt het, als een droom, met geheimzinnige pracht en de glinsterende herfstdraden zweven door de lucht in trage golving, als schoone, doellooze mijmeringen. Doch uit den vochtigen grond, tusschen mos en dorre bladeren, verrijzen dan plotseling en raadselachtig de wonderlijke gestalten der paddestoelen. Sommige dik, wanstaltig en vleezig, andere slank en rijzig, met geringden steel en schitterend gekleurden hoed. Dat zijn zonderlinge droombeelden van het woud.

[...]

Toen viel het arme Johannesje neder en snikte in radeloos berouw.


[...]

Alleen als de sneeuwvlokken uren en uren achtereen zwijgend waren neergezegen, zoodat de twijgen bogen onder het aangroeiend dons, liep Johannes graag in de violette schemering van het sneeuwbeschaduwd bosch.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen