zondag 7 oktober 2012

Nantas [10]

Een oogenblik stonden zij sprakeloos tegenover elkander, elkander woedende blikken toeschietende. Het hoofd vooruit, de handen uitgestrekt, stond hij gereed zich op haar te werpen, teneinde zich een doorgang te banen. “Ga uit den weg”, stiet hij op schorren toon uit, “ik ben sterker dan gij en ik zal binnen”. “Neen, gij zult niet binnen, omdat ik het niet wil”. Als een krankzinnige schreeuwde hij: “daar is een man, daar is een man ....” Zij verwaardigde zich niet hem tegen te spreken en haalde als eenig antwoord de schouders op. Toen hij nog een pas nader kwam, zeide zij: “Welnu, ondersteld dat daar een man is, wat gaat u dat aan? Ben ik niet volkomen vrij te doen en te laten wat ik wil?”



Het leven was een onding, waarin de groote geesten even ellendig ondergingen als gekken en dwazen.


[...]

Ik hief naar den horizon mijn gebalde vuist op.


[...]

Ik verzocht hem van dit alles niets te zeggen. Een koude stroom was mij over den rug gegleden. De dood had den voet in ons huis gezet.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen