woensdag 3 oktober 2012

Nantas [7]



voelde een zekere matheid en zijn zenuwen leden onder den geringsten schok. Als een koorts van bevredigde ijverzucht naar zijn wangen steeg, voelde hij zich plotseling verbleeken, alsof van achteren hem eensklaps een koude hand in den nek werd gelegd.


[...]

“Juist dat is het, wat mij niet bevalt en gij zult u zeker nog wel herinneren dat ik u gezegd heb niet te zullen dulden dat u misbruik maakte van uw vrijheid, om mijn naam te onteeren”. Fiavie glimlachte verachtelijk. “Uw naam onteeren, mijnheer, dat is iets dat u aangaat, en iets wat ik niet meer heb te doen”. Nantas sprong op als een waanzinnige, een beweging makende als wilde hij haar verpletteren. “Ongelukkige, gij keert terug uit de armen van mijnheer des Fondettes .... Gij hebt een minnaar, dat weet ik”. “Gij bedriegt u”, zeide zij, zonder zich over zijn bedreiging ongerust te maken, “ik heb mijnheer des Fondettes nimmer wedergezien .... Als ik echter een minnaar had, stond het nog niet aan u mij dat te verwijten. Wat gaat u dat aan? Vergeet gij onze overeenkomst?” Een oogenblik zag hij haar met wilde oogen aan; daarna in snikken uitbarstende van lang ingehouden hartstocht, wierp hij zich aan haar voeten: “O, Flavie! Ik bemin u!”

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen