vrijdag 5 oktober 2012

Nantas [9]



“Ik zie wel, dat gij mij aldoor minacht. Welnu geef uw liefde, dit smeek ik u, tenminste niet aan een ander. Vergeef me als ik soms brutaal ben geweest en laat mij tenminste hopen, dat gij mij ééns zult beminnen!...” “Nooit!” stiet zij met groote vastberadenheid uit. Hij was verpletterd, vernietigd en zij wilde vertrekken, doch door een woeste vlaag van halven waanzin aangegrepen, vloog hij overeind en vatte haar bij de polsen. Een vrouw zou hem weerstaan durven, terwijl een wereld aan zijn voeten lag!

[...]

En hij te midden van deze reusachtige ondernemingen, alles zijn werk, op het toppunt van zijn macht, de oogen starende op het handschrift van den keizer, snikte als een kind: “Ik ben niet gelukkig .... Ik ben niet gelukkig ....” Met het hoofd op zijn bureau leunende weende hij, en heete tranen vielen op de letters van den brief, die hem tot minister van financiën benoemde.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen