woensdag 28 november 2012

Pallieter - Felix Timmermans [3]




Een smoorwolk omhulde hen, en de schemer kwam fluweelig binnen gevallen. Nipkes hoorbaar titste de regen tegen de ruiten, en het venstervlak, waardoorheen men niets zien kon door den mist, wierd langzamerhand grijzer en grijzer. De koppen verdoezelden in den donkeren, alleen de kachelpot en de drie sigaren bloosden in het mollegrauwe schemering. Hunne schaarsche woorden werden er als mee omhangen, zacht en gedempt.

==========

Pallieter rook den aangenamen koffiegeur en spoedde zich naar binnen. Gebakken hesp, met geklutste eieren over, werd smorend op de tafel gebracht en er werd van de koffie gedronken en van de hesp gegeten, dat de lippen en de vingeren blonken van het vet, en den toren tarweboterhammen moest Charlot driemaal achtereen opbouwen.

==========

Den eerste, die klein en dik was, en wiens oogen rood waren uitgezworen, werd voor baard een stuk witten wat aan zijn gezicht geplakt en een blauwe slaapmuts opgezet. De andere was een korte, gebochelde, met gesloten oogschelen. Marieke sneed voor hem een papieren kroon, beplakt met zilverpapier van chocolade. Dat werd over zijn bolhoed geschoven, en hij kreeg als mantel op de schouders een blauwen voorschoot van Charlot.

==========

En zij beluisterden het muziek van den koelen blinkenden perelendans.

==========

Verders was het stil. 't Was stil en toch vol ingetogen leven, dat weer aan 't wroeten was en uit zijn slaap ontwaakte.

==========

Het was de Lente die openberstte, de eerste verroering van het leven der aarde. Het rilde door de wereld heen, niets had het kunnen tegenhouden. De perijkelen des hemels hadden er nacht en dag op gepekt lijk "den duvel op Geeraard". Het lichaam was vermassakreerd om bij te bleten, maar de ziel, de goddelijke ziel, was zuiver en onaantastbaar gebleven, en richtte zich weer op, om open te breken in al wat van de aarde was.

==========

Terwijl zij nog bezig waren, hoorden zij op het neerhof geronk van doedelzakken, en 't getril van een schelle hobo. Een ieder sprong juichend op en liep naar buiten. Het waren vier Bohemers, drie pijpend elk op een doedelblaas en de vierde met een hobo. De mannen speelden zonder iets te zeggen, onverschillig voort. Ze waren vuil en ongewasschen, met lompen en lappen bedekt, met bonte dassen aan den hals, en pluimen op den hoed. Zij roken naar de lucht en naar den grond. Pallieter stond geslagen over de schoonheid van hun muziek. De doedels ronkten drijstemmig slepende accoorden, en het frank en helder gepiep van den hobo danste daartusschen, trillend en wippend, wond zich er rond en om, bijeenhoudend het onafgeteekend geronk van de pijpende doedels.

==========

"O, dagenmelker!" zuchtte ze van ongekenden wellust, en zij bleef staan en luisteren naar de doedelzakken, die vèr weg gonsden in den duistren lentenacht.

==========

Ze zwegen en luisterden naar een nachtegaal, die alleen in de verholenheid van een bloeienden kerseboom zijn gouden hart liet roeren.

==========

Toen Charlot Pallieter zag aankomen, liet ze den horen vallen, liep hem tegemoet en riep, bleek van alteratie: "Bruur, Bruur, 't is nen drijlink! twee jongens en ien meske! Ierst kwam…." Pallieter liet haar voortbabbelen en liep, gevolgd van de meid naar boven. Hij wierp de deur open, en daar op het bed, waarin Marieke, bleek, met traantjes in de oogen hem toelachte, lagen neveneen drie naakte, verkensroze kinderen te kraaien en te schreeuwen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen