zondag 25 november 2012

Pallieter - Felix Timmermans


Het schijnt dat er mensen zijn, zelfs sujetten die de Germaanse talen bestudeerd hebben, die het boek Pallieter van Felix Timmermans nog niet gelezen hebben. Ik schrijf 'nog niet', want het kan slechts een kwestie van uren of dagen zijn eer zij zich zullen vermeien met dit werkje

Alleen dan zullen zij, en alle anderen, weer zonder een striemend gevoel van moorddadige onrechtvaardigheid naar hun eigen tronie in de spiegel kunnen kijken.

Timmermans schreef Pallieter vlak voor de Eerste Wereldoorlog. In 1911 sterft hij ei zo na door een operatie en om uiting te geven aan zijn hernieuwde levensvreugde schept hij Pallieter. Een van zijn werken van voordien heette Schemeringen van de Dood. Niet bepaald het soort titel dat door een vrolijke Frans wordt gekozen, dunkt mij.

Pallieter is een lyrische lofzang op de natuur en boerke Pallieter een personificatie van carpe diem. Oordeel vooral zelf:




EEN FIJNE MORGEND IN DE MEI In die eerste Lieve vrouwkensdagen was de Lente ziek. De zon bleef weg en klaterde maar van tijd tot tijd, zoo door een wolkenholleken, een bussel licht op de gele boterbloemen. Het versche groen dat zij langs alle kanten geweldig uit den grond, de boomen en het water had gezogen, zat er ongeduldig naar te wachten. Pallieter zei, met een scheeven mond van bitterheid: "'t Spel is nor de knoppe!…"
 
==========

Als er in het Oosten een klaarte bibberde en er een haan had gekraaid, wipte Pallieter uit zijn bed, trok zijn hemd uit en liep in zijnen blooten flikker naar de Nethe. Over den grond en tusschen de hooge boomen hing een grijze smoor. Het was heel stil, het gers woog zwaar van den koelen dauw en van de boomen vielen groote lekken.

==========

En in den hof die nog nat was van dauw en besprongen werd met plekken zon, ging hij radeskens plukken—Loebas met zijn vier jong schoten uit hun vat en sprongen hem bassend rond de beenen. Hij gaf hun elk een stuksken suiker en dan liepen zij lijk zot over den natten blijk. Terwijl hij radeskens waschte, kwam Petrus, de ooievaar, met een zilveren visch in den rooden bek naar zijn nest gevlogen, waar zijn wijf met eieren lag.

==========

Hij ging voortmalen, tot Charlot om eten riep. Zij diende eerst kervelsoep met aspergiën. Daarvan aten ze elk twee tellooren. Nadatum kwam er een varkensgebraad op met spinazie en bloemende patatten, die 'ne smaak en 'ne weêrsmaak hadden. Er was veel mostaard bij, om goed te kunnen drinken. Nadien smulden zij elk een half dozijntje koekebakjes die naar eieren en kaneel roken, en zij smeerden er nog boter, siroop en suiker over. En om 'nen anderen mond te hebben, aten ze 'n schotel schone eerdbeziën leeg, zoodat het roode sap van hun kin druppelde. Het zweet stond op hun voorhoofd en Pallieter zei:—"O God! 't pleizier is werral gedaan, geft er ons nog!…"

==========

De graaf stond op bezag hem kwaad van kop tot teen, en vroeg uitdagend: "Spot gij met mijn voorgeslacht?" "En mè ij!" zei Pallieter. "O mijn eer!" kreet de jonge edelman. "Ik moet voldoening hebben. Ik daag u uit!" en een zijner geglansde handschoenen in Pallieters lachend gezicht kletsend, siste hij "Welke wapens kiest ge?" "Het kanon," zei Pallieter ernstig. "Hoe?… wat?… Hoe wilt ge?…" vroeg de graaf verbluft. "Zoe!" riep Pallieter, en met een kattenrapte, zette hij den graaf in gebogen houding naar het huis, en vóór deze zich had opgericht, hief Pallieter het rechterbeen op, riep "Vlam!" en liet een grooten wind. Tafels vielen, pinten braken, en Fransoo viel van het lachen op den grond. De graaf sprong kressend op als waarlijk getroffen, wilde met zijne karwats Pallieter te lijf, maar Bruur vloog haastig lijk een bieken in zijn hondenkarretje, riep "dju!" en ginder rolde hij over den kasseien weg, en moest de handen op den buik duwen om van het danig lachen niet open te scheuren.

==========

De koele, malsche regen ruischte frisch over het land, begoot de boomen en de planten, kletste op het water en kletterde op het dak. 't Was 'n symphonie van water!

==========

ging hij wandelen, al smorend een fijne sigaar.

==========

Als hij Marieken zag trok hij oogen lijk sauspannekens en zei met een zucht; "Och, wad e schoe kind!…"

==========

Ze hadden zijden pompadouren châles om, waarbij er vuurroode waren, purpele en kreem-witte met wijnroode bloemen in. Er was een vrouw bij met een zuigend kind.

==========

De tranen spoten uit Charlot haar oogen, ze pakte ze vast, kuste haar op den mond, hief haar op, en drukte haar haast te pletter op heur dik lijf. "Och wa' zadde toch e' schoe' meske geweurre!" riep ze. "O ma' Marieke, ma' Marieke!…" En ze kuste haar nog eens, en haar tranen plakten op Mariekens gezicht.

==========

Er bleven er nieuwsgierig voor 't fonteintje staan dat op zijn hoogste spoot, en flitsperelend neerdripselde op den rug der rustige goudvisschen. Anderen zagen de kloeke Kempische hennen en hoendervogels na, en ieder stond verpaft van den schoonen pauwesteert. De pijpen smoorden, en het goud schitterde, en daaromendom lag de wereld in de zon.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen